‘Hillwalking’in de Wicklow Mountains

Ierland - 6-14 juli 2002

Een reisverslag van Jos Van der Plancken
 

Ze liggen dichterbij dan je denkt, de Wicklow Mountains. De reis, met vliegtuig en aansluitende bussen, duurt niet langer dan een trein- of busreis naar bijvoorbeeld de Vogezen, Calvados in Normandië of de Morvan, ik noem zomaar wat. De Mountains liggen ietsje ten zuiden van Dublin op een dik anderhalf uur vliegen vanuit Brussel (Zuid). Reken daarbij nog 2 uur met de bus en overstappen.

We mogen eigenlijk niet over bergen spreken, eerder over heuvels. De activiteit die wij er in hoofdzaak beoefenden, naast enige nevenactiviteiten waarover verder sprake,  was dus wel echt hillwalking. Geen van de deelnemers heeft daarom een brevet bergbeklimmen mee naar huis gekregen.

Ierland is Engeland niet. De dichtheid van het wandelpadennetwerk is er duidelijk ijler. De Ieren wandelen gewoon veel minder, denk ik.
Buiten de langeafstandspaden is er weinig uitgestippeld. In de heuvels is dat natuurlijk geen probleem, je kunt er eigenlijk wild lopen, als je maar oplet voor moeras, maar in bewoonde gebieden is asfalt dikwijls het enige wat je onder de voeten krijgt.

Waarom dan naar Ierland? Voor de folk? Voor de stew? De Guinness? De gastvrijheid? De rossen van haar?

’t Is er anders!

Wij kwamen rond de middag (Ierse tijd) toe in Ashford, niet zo ver van Wicklow, in het meest zuidelijke punt van onze trektocht. Van hieruit ging het noordwaarts, richting Dublin.
De tocht naar Tiglin, langs de rivier Vartry met de diepe kloof van de Devil’s Glenn was maar een aanloop naar het echte werk. Nog geen heuvels te zien, eigenlijk.

De jeugdherberg was een verrassing. Precies in the middle of nowhere vonden we hem. Een oude hoeve, met een wijd rechthoekig binnenplein, herbouwd. Een behulpzame baas. De kamers een beetje klammig. Avondmaal en ontbijt konden buiten, zalig!

De tweede morgen, ’s zondags, trokken we met de rugzak naar Glendalough. Het eerste deel van het traject was ietwat teleurstellend doordat meerdere paden op onze kaart over privé grondgebied bleken te gaan. Een paardenkweker met een ‘kapitaal aan rasdieren’ was door het dolle heen toen we een aangeduid pad over zijn grondgebied durfden inslaan.
Later op de middag werden we stouter en gingen puur wildwandelen over heuvels waarvan we niet zeker waren of het wel mocht.

En zo rond een uur of drie zagen we ze dan, de drie valleien van Laragh in een prachtig heuvelgebied, zo uitgestrekt dat je niets anders kon zien. Hiervoor waren we eigenlijk gekomen.

‘Glandalough is gelegen in een diepe, eenzame vallei bij twee meren’ hadden we op websites gelezen. Toen wij er toekwamen, liep de vallei vol met dagjesmensen die de historische site uitgebreid en luidruchtig aan het bewonderen waren.
Je moet weten dat de ruïnes van de kerkjes en de hoge ronde toren hier tot de oudste christelijke overblijfselen van Europa behoren. St. Kevin stichtte hier in de 6de eeuw een klooster en zou nog veel méér hebben kunnen doen als hij niet zo belaagd zou geweest zijn door vrouwen (hij smeet er één uit wanhoop in het dichts bijzijnde meer).
Maar in de jeugdherberg, ietwat verderop was het rustig. Wij verbleven hier 4 nachten.
’s Maandags was er geen toerist meer te zien.
De ronde toren is ver in de heuvels nog te zien. Met zijn hooggelegen poort diende hij als vluchtplaats voor Noormannen, of vikingen of zo.

In de omgeving van Glendalough kon het echte “hillwalking” beginnen. We hebben hier drie dagen genietend rondgelopen over erg verschillende heuvels. De ene bult erg moerassig, de andere dan weer bedekt met kalksteen. Soms dan weer veenachtig, met door de erosie geïsoleerde plukjes turf, dan een stuk volledig overgroeid door varens. Tussen de schapen rustten we op zachte mossen of weggedoken tussen het groen. 
Maar zelfs met modderzware benen wisten we  nog vrij vederlicht over beken te springen.

De laatste avond voor ons vertrek uit deze luxueuze jeugdherberg zochten we de conferentiezaal op. Alles wat we nodig hadden, voor een serene vergadering was er: een ovale tafel, een flip-over, een regelbare lichtsterkte.
Hier legden we, met de nodige discussies, de hoofdlijnen vast van de culinaire plannen voor de volgende 3 dagen en stelden we een aankoopplanner aan die de genomen beslissingen zou gaan uitwerken. We moesten nu zelf gaan koken!  
De zesde dag, het was donderdagmorgen, namen we aan het onthaalcentrum de St. Kevin’s Coach die tot in Dublin gaat. Wij lieten ons meevoeren tot in Roundwood, het hoogstgelegen dorp van Ierland. Je moet je daar niet te veel bij voorstellen. Roundwood ligt op 238 m boven de zeespiegel!
In een kruidenierswinkeltje vroegen we de baas of hij er wat in zag om onze inkopen 25 km verder naar Knockree te brengen. In dat geval zouden we ineens voor 3 dagen voedsel kopen, anders zouden we enkel onze rugzakken wat kunnen bijvullen. Maar die puilden bij de meesten nu al uit. De wakkere neringdoende had daarom niet veel tijd nodig.
Onze aankoper haalde gewoon zijn briefje boven en het inladen in dozen begon.
Als we na een zware dagtocht eindelijk in Knockree zouden toekomen, zou al het nodige proviand netjes op rekken in de bijkeuken opgestapeld liggen. Free of charge!

Tijdens de avonden die volgden zouden de kookploegen, afwisselend mannen en vrouwen, elkaar met de lekkerste gerechten beconcurreren.
Dat de wijn uit Guiness-pints moest gedronken worden, hieraan nam géén van de deelnemers aanstoot.
’s Avonds konden we gezellig babbelen met de andere bezoekers: enkele Nederlanders, een jongedame uit Australië, een andere uit Tsjechië.

De volgende dag, een beetje een rustdag, bezochten we het leuke stadje Enniskerry en het Powerscourt Estate, het mooiste landgoed met slottuin van Ierland, schijnt.
De tuin was wel de moeite, maar vanuit onze jeugdherberg kon je er enkel over asfalt naartoe. De Powerscourt Waterfall hadden we de dag voordien al gezien, zij het van ver, want als je iets te dichtbij komt, moet je betalen.

’s Zaterdags volgende we nog het laatste stukje Wicklow Way richting Dublin. ’s Middags vonden we de hoogst gelegen pub van Ierland, de Fox’s Pub in Glencullen. Een café met een zware geschiedenis: vele van de geheime vergaderingen van de Ierse vrijheidsstrijders werden hier gehouden. Het is een museum op zich, de moeite waard. Wij keerden tevreden terug naar Knockree voor een nieuw zelfgemaakt festijn.

De laatste dag liepen we met hebben en houden naar Enniskerry voor de bus naar Dublin. Na lang zoeken naar enig vertier en vast voedsel vonden we daar het grootste café dat ik in mijn leven gezien heb. De folkband speelde erg verteerbare, Ierse, muziek terwijl wij met volle happen en teugen de Irish stew met Guiness naar binnen sloegen.

De jeugdherbergen

In International Youth Hostel Glendalough krijg je en-suite kamers. Je kan er zelf koken maar half- of volpension is aan te bevelen. Voor het ontbijt heb je mits een kleine meerprijs Full Irish Breakfast. 
In de weekends in het hoogseizoen kan het in de historische site, vlakbij, nogal druk zijn. Maar in de jeugdherberg zelf heb je daar weinig last van.

In Tiglin en Knockree moet je zelf koken. Je kan er lakens huren.
Youth Hostel Tiglin is gevestigd in een oud gebouwencomplex. Erg karakteristiek maar binnen is het nogal kil.
YH Knockree is een erg charmante verbijfplaats niet ver van Enniskerry, in het noorden van de Wicklow Mountains.  

Algemeen over Ierse jeugdherbergen: http://www.irelandyha.org/